Basisonderwijs

Onderbouw, klas 1 t/m 6 (groep 3 t/m 8)

Klassen en klassenleraren

Onze leerlingen zitten in de onderbouw hun hele schooltijd in dezelfde klas. De leerkracht ‘verhuist’ voor zover mogelijk elk jaar mee. Deze speelt een centrale rol in het volgen en begeleiden van de ontwikkeling van de kinderen. Een goed contact met de ouders wordt nagestreefd door ouderavonden en -gesprekken, eventueel huisbezoek en een spreekuur.

Lestijden

Voor de klassen 1 t/m 6 begint de school om 8.25 uur. Dan nemen de leerkrachten de kinderen mee naar binnen. De school is uit om 14.50 uur. Behalve op woensdag dan is de school uit om 12.30 uur.
De klassen 1 en 2 zijn daarnaast op elke maandag- en vrijdagmiddag uit om 12.30 uur.
De pauzetijden zijn van 10.40-10.55 uur en van 12.40-13.15 uur.

Periode lessen

De schooldag begint met het periodeonderwijs. Elke ochtend wordt, gedurende drie tot vier weken, in de eerste twee lesuren hetzelfde vak onderwezen. De leerstof gaat ‘door de nacht heen’. Wat de ene dag als beeld is neergezet, wordt de volgende dag meer bewust en concreet uitgewerkt. Het onderwerp wint aan diepgang en de leerling kan zich er grondig mee verbinden. De behandelde stof sluit nauw aan bij de leeftijd en de ontwikkelingsfase van de leerlingen.

Van deze wijze van aanbieden van leerstof gaat een grote rust uit. Wanneer het vak opnieuw aan de beurt is en de ogenschijnlijk “vergeten” kennis weer is opgefrist, blijkt wat eerst nog heel moeilijk leek, meestal veel gemakkelijker te zijn geworden. De leerlingen zijn opnieuw in staat hun grenzen fundamenteel te verleggen.

Dit periodeonderwijs wordt in de onderbouw door de eigen klassenleerkracht gegeven.

De kinderen krijgen als ‘periode’ voornamelijk de cognitieve vakken zoals rekenen, taal, heemkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, plantkunde, dierkunde, natuurkunde, sterrenkunde of scheikunde.

Toetsing, resultaten en schooladvies

Ons brede en kunstzinnige onderwijsaanbod is gericht op een brede ontwikkeling van de vermogens van de leerlingen. Om deze ontwikkeling in beeld te brengen maken leerkrachten toetsen die passen bij de lesstof. De leraren schrijven ieder jaar een getuigschrift voor iedere leerling uit hun klas waarin de ontwikkeling van het kind wordt beschreven.

Wij achten het van belang dat de leerlingen ook cognitief optimaal presteren naar hun mogelijkheden en dat ze opbrengsten realiseren die leiden tot succesvol vervolgonderwijs. Om de leerkrachten te helpen daar goed op te kunnen sturen meten we de leeropbrengsten voor taal en rekenen m.b.v. verschillende genormeerde niet-methode toetsen (Cito-leerlingvolgsysteem en SVT (Boom)). De resultaten worden in vaardigheidsscores ingevoerd in het leerlingvolgsysteem ParnasSys.

Op onze school zorgen we voor een ordelijk verloop van de toetsing en afsluiting. De toetsen worden afgenomen conform de opgestelde toetshandleiding en jaarlijkse toetskalender (zie bijlage). Ouders worden op de tafeltjesavonden geïnformeerd over de toetsresultaten.

We werken resultaatgericht: we beschikken voor ieder leerjaar over normen voor de tussentoetsen, de eindtoets en de sociale resultaten. De leerkracht stelt op grond daarvan beargumenteerd de opbrengstdoelen vast per leerling.

Jaarlijks evalueren we (op grond van de normen) de toetsuitslagen. Op basis van deze analyse stellen we mogelijke interventies in ons onderwijsbeleid vast.

Iedere leerling krijgt aan het einde van de basisschool een schooladvies waarmee zij/hij zich kan inschrijven op een school voor voortgezet onderwijs. De klassenleerkracht baseert dat advies op haar beeld van de leerling t.a.v. haar/zijn werkhouding, motivatie en toetsopbrengsten. De vakleerkrachten en intern begeleiders zijn betrokken bij de vaststelling van het passende advies.

  • In de vijfde klas wordt er een pré-advies gegeven.
  • Begin zesde klas wordt er een voorlopig schooladvies gegeven.
  • Medio zesde klas wordt het definitieve schooladvies gegeven.

Na het maken van de eindtoets kan het definitieve advies nog worden bijgesteld als de eindtoets beter is gemaakt dan het gegeven advies

De bewegende klas

In de eerste, tweede en derde klas wordt sinds het schooljaar 2013/2014 met veel enthousiasme les gegeven in de bewegende klas (bewegende-klas). In deze klassen worden banken en kussens als meubilair gebruikt. Dit geeft de leerkracht en de kinderen ruimte om binnen het vrijeschoolonderwijs veel te bewegen. In het bewegende klaslokaal vullen niet de meubels maar de kinderen het lokaal.

De bewegende klas is een nieuwe vorm van onderwijs. Jaarlijks wordt deze geëvalueerd. Hieronder kunt u de evaluaties nalezen:

Jasper van Heesewijk heeft een scriptie geschreven over de ontwikkeling van de persoonsvorming in de bewegende klas. Deze scriptie is geschreven in het kader van zijn afstudeertraject aan de Vrijeschool Pabo te Hogeschool Leiden. ©

Voor meer informatie zie, Den Haag bouwt verder aan de bewegende klas of lees het inhoudelijk aanhangsel:

Vaklessen

Op het periodeonderwijs volgt de kleine pauze. Daarna krijgen de leerlingen volgens een vast weekrooster andere vakken en activiteiten. Deze vakken spreken meer het gevoel en de wil tot handelen in de kinderen aan. Ze krijgen dan geleidelijk steeds meer te maken met verschillende vakleerkrachten.

We beginnen direct met de vreemde talen. In de lagere klassen zingen de kinderen in die talen. Vanaf de eerste klas leveren de lessen een schat aan spelletjes en liedjes, waarmee de kinderen worden gestimuleerd om zich in de vreemde taal uit te drukken. Zo leven ze zich in in het eigene van de andere taal, die met name tot uitdrukking komt in de muzikale elementen (klankrijkdom, klankplastiek en zinsmelodie). Daarmee wordt gebruik gemaakt van het gegeven dat kinderen op jonge leeftijd heel toegankelijk zijn voor de fijnere nuances in een taal en nog heel gemakkelijk klanken kunnen nabootsen. Vanaf de vierde klas, als de kinderen tien jaar zijn, wordt het leren van de taal bewuster gemaakt. Er wordt aandacht aan grammatica besteed en de kinderen gaan lezen en schrijven in de vreemde taal. Er wordt in ieder geval vanaf de eerste klas Engels gegeven. De tweede vreemde taal is afhankelijk van wat de aanwezige leerkrachten aan actieve talenkennis te bieden hebben. Dit kan Duits of Frans zijn, maar ook iedere andere taal waarin een leerkracht zich thuis voelt. Het belangrijkste is het stimuleren van de klanknabootsingen van een vreemde taal en in de hogere klassen het ontdekken van universele taalaspecten in de grammatica.’

Door de specifiek kunstzinnige vakken als (vorm)tekenen, schilderen, toneel en muziek ontwikkelen de kinderen hun gevoel voor schoonheid. In de lessen handwerken, handvaardigheid en de bewegingsvakken (euritmie en gymnastiek) oefent een kind zijn wilskracht en zijn sociale en lichamelijke vermogens.